Wie “er uitziet als een druggebruiker”
In de politierechtbank van Hasselt speelde zich volgens dit artikel een “licht gênant moment” af. Een rechter die zich vergist van dossier, een opmerking maakt over drugsgebruik, zichzelf corrigeert en vervolgens de zaal aan het lachen krijgt. Op het eerste gezicht een banaal incident, bijna anekdotisch. Maar net in die ogenschijnlijke banaliteit schuilt een dieper probleem: hoe taalgebruik binnen justitie en journalistiek hardnekkige stereotypen bevestigt, en tegelijk de ernst van bepaalde feiten relativeert.
De uitspraak “gij ziet er nu echt niet uit als iemand die drugs gebruikt” is op meerdere niveaus problematisch. Ze veronderstelt in de eerste plaats dat er zoiets bestaat als een herkenbaar “type” druggebruiker. Alsof gebruik zichtbaar is in uiterlijk, kleding of houding. Dat beeld is niet alleen achterhaald, het is ook empirisch onhoudbaar. Druggebruik komt voor in alle lagen van de bevolking, ongeacht leeftijd, socio-economische status of uiterlijk. Door toch zo’n uitspraak te doen, reproduceert een rechter een klassiek stereotype: de druggebruiker als afwijkend, zichtbaar anders, en impliciet ook als sociaal problematisch.
Die framing wordt nog versterkt door het impliciete contrast dat onmiddellijk volgt. Wanneer blijkt dat het om alcohol gaat, verandert de toon. “Zal wel een wijntje zijn geweest” suggereert een zekere banaliteit, bijna huiselijkheid. Alcoholgebruik wordt genormaliseerd, ingebed in dagelijkse routines en sociale gewoontes. Het onderscheid dat hier gemaakt wordt tussen drugs en alcohol is niet juridisch neutraal, maar cultureel geladen. Beide zijn psychoactieve stoffen die het rijgedrag beïnvloeden en risico’s creëren in het verkeer. Toch wordt het ene geassocieerd met deviant gedrag, en het andere met een bijna verontschuldigbare misstap.
Dat verschil in perceptie heeft concrete gevolgen. Het beïnvloedt hoe feiten worden beoordeeld, hoe daders worden bekeken en hoe verantwoordelijkheid wordt ingeschat. In dit geval gaat het om rijden met 1,24 promille, een niveau dat de rijvaardigheid significant aantast en het risico op ongevallen sterk verhoogt. Toch wordt de situatie in het artikel gebracht met een lichte, bijna luchtige toon. Er is sprake van “gegiffel in de zaal”, van een “foutje” en van een rechter die het moment relativeert. De ernst van het misdrijf verdwijnt naar de achtergrond, vervangen door een scène die bijna als komisch intermezzo wordt gepresenteerd.
Die luchtigheid is niet onschuldig. Ze draagt bij aan een bredere maatschappelijke tolerantie tegenover alcohol in het verkeer, ondanks de goed gedocumenteerde risico’s. Tegelijk versterkt ze de morele hiërarchie tussen middelen: alcohol als sociaal aanvaard, drugs als afwijkend en problematisch. Dat is des te opvallender omdat net alcohol in België en Europa verantwoordelijk is voor een aanzienlijk aandeel van verkeersongevallen met ernstige gevolgen.
Een rechtbank is geen café. De woorden die er worden uitgesproken, hebben gewicht. Ze dragen autoriteit en vormen mee het beeld van rechtvaardigheid. Wanneer die woorden stereotypes bevestigen en feiten relativeren, ondermijnen ze niet alleen de ernst van de zaak, maar ook het vertrouwen in een consistente en objectieve rechtsbedeling.
Wat hier als een klein, gênant moment wordt gepresenteerd, legt dus een structureel probleem bloot. Niet het “foutje” van de rechter is het meest relevante element, maar wat dat foutje onthult: een diepgewortelde culturele bias in hoe we naar middelengebruik kijken. Zolang die bias onbenoemd blijft, zal ze zich blijven reproduceren, zowel in de rechtszaal als in de berichtgeving daarover.
