Wanneer politici plots tegen de stigmatisering van drugsgebruik zijn
Ik heb de afgelopen dagen met stijgende verbazing gekeken naar de politieke opstand tegen drie woorden: “Alcohol schaadt de gezondheid.” En wat mij vooral verbaast, is hoe snel politici plots woorden vinden die cannabisgebruikers al decennialang nauwelijks gegund worden: keuzevrijheid, verantwoordelijkheid, matiging, cultuur, proportionaliteit en vooral het onderscheid tussen gebruik en misbruik. Zodra het over alcohol gaat, blijkt de burger immers perfect in staat een genotsmiddel verstandig te gebruiken. Zodra het over cannabis gaat, verdwijnt diezelfde volwassen burger merkwaardig snel uit beeld.
N-VA-fractieleider Axel Ronse illustreert die tegenstelling bijna perfect. Hij schrijft dat hij mensen die heel dicht bij hem stonden of staan heeft zien “kapotgaan aan de drank. Aan alcoholmisbruik. Afschuwelijk.” Maar vervolgens maakt hij een onderscheid dat essentieel is: “Tegelijk zie ik zoveel jonge brouwers de fakkel van generaties familiaal vakmanschap met veel fierheid overnemen. Ik zie ook veel mensen die alcohol met mate consumeren en er gewoon op een verstandige manier van genieten.” Precies. Mensen kunnen een schadelijk middel gebruiken zonder dat hun gebruik automatisch problematisch wordt. Het bestaan van alcoholverslaving maakt van iedere bierdrinker nog geen alcoholist. Alleen is dat soort nuance bij cannabis veel moeilijker terug te vinden in het discours van zijn partij. N-VA stelt onomwonden dat drugs “altijd schadelijk” zijn, verzet zich tegen legalisering en wil gebruik actief ontmoedigen. Dezelfde politicus die bij alcohol spontaan het verschil ziet tussen gebruik en misbruik, behoort dus tot een partij die bij cannabis veel liever begint bij schade, criminaliteit en ontrading. Blijkbaar kan een mens “op een verstandige manier genieten” van een psychoactieve drug, zolang er maar een brouwerij tussen staat.
Ronse gaat nog verder. Hij tekende de brief “uit respect voor het vakmanschap en de passie van al die brouwers” en schrijft: “Ik wil niet dat ze zich gestigmatiseerd voelen. Brouwen maakt deel uit van onze cultuur, van wie we zijn.” Dat woord, stigma, is interessant. Een brouwer die een legaal product vervaardigt, verkoopt, er reclame voor maakt en er geld mee verdient, dreigt volgens Ronse gestigmatiseerd te worden omdat onder een advertentie drie woorden over gezondheid moeten verschijnen. Een cannabisgebruiker kan ondertussen al decennialang worden gecontroleerd, beboet en vervolgd voor het bezit van zijn roesmiddel en koopt dat middel noodgedwongen op een illegale markt. Maar drie woorden onder een bieradvertentie zijn blijkbaar het moment waarop we ons dringend zorgen moeten maken over stigmatisering. Misschien moeten we het begrip dan toch eens opnieuw definiëren.
Sammy Mahdi maakt de tegenstelling nog explicieter. Volgens hem hebben “de bierbrouwers gelijk”, want: “Dat zinnetje is problematischer dan velen denken. Dit is de totale demonisering van elke druppel alcohol. Mogen mensen nog zelf keuzes maken? Niet iedereen hoeft te leven op water en magere kaas.” Dat is zowaar een uitstekend liberaal argument voor een christendemocraat. En vooral een bijzonder bruikbaar argument voor het cannabisdebat. Mogen mensen nog zelf keuzes maken? Inderdaad. Moet iedere consumptie van een psychoactieve stof worden beoordeeld vanuit het slechtst denkbare gebruik ervan? Natuurlijk niet. Mahdi begreep dat overigens ooit zelf. In 2019 stelde hij dat repressie van cannabis niet werkt, wees hij op de moeilijk uit te leggen tegenstelling met alcohol en zei hij zelfs: “Persoonlijk denk ik dat we ook het recreatief gebruik van cannabis mogelijk moeten maken.” Vandaag klinkt het politieke discours anders. Zijn prachtige verdediging van volwassen keuzevrijheid lijkt voorlopig dus vooral te gelden wanneer die keuze in een glas wordt geschonken.
Ook Conner Rousseau ziet bij alcohol plots iets wat in het drugsdebat zelden wordt benoemd: plezier en sociaal contact. Hij wil jongeren “weg van de pc’s en de virtuele wereld en weer sociaal contact” laten opdoen “met maten, maar ook met mate”. Ook daar valt weinig tegen in te brengen. Mensen gebruiken genotsmiddelen inderdaad niet uitsluitend omdat ze verslaafd, ontspoord of maatschappelijk kwetsbaar zijn. Ze doen dat soms omdat ze samen zijn met vrienden, omdat ze ontspannen, omdat ze iets lekker vinden of omdat ze graag even van bewustzijnstoestand veranderen. Alleen krijgt alcohol daarbij het romantische decor van vrienden rond een cafétafel, terwijl cannabisgebruik politiek nog altijd gemakkelijk wordt herleid tot “druggebruik”. Vooruit erkent nochtans zelf expliciet dat alcohol en tabak drugs zijn. Het verschil zit dus niet in de vaststelling dát het drugs zijn. Het verschil zit in de culturele toestemming die we aan de ene drug hebben gegeven en aan de andere niet.
Bij MR-voorzitter Georges-Louis Bouchez wordt het helemaal interessant. Bouchez waarschuwde in het cannabisdebat voor gezondheidsrisico’s en tegen de banalisering van cannabis. Maar toen hij in juli vapeproducent Hexa bezocht, hoorde hij daar het argument dat strengere regelgeving ertoe kan leiden dat consumenten “nog meer hun toevlucht zoeken tot producten uit China en illegale vapes”. Welkom bij ongeveer een halve eeuw kritiek op het cannabisverbod. Dat is namelijk precies wat een illegale markt doet: consumenten verdwijnen niet omdat de overheid een product verbiedt, maar komen terecht bij producenten en verkopers waarop diezelfde overheid nauwelijks kwaliteitscontrole kan uitoefenen. Bij vapes is het risico van een illegale markt blijkbaar een argument om kritisch naar regelgeving te kijken. Bij cannabis wordt het bestaan van die illegale markt vervolgens gebruikt als argument om harder tegen drugs op te treden. Je moet het politieke talent bewonderen om oorzaak en gevolg zo soepel van plaats te laten wisselen.
Frédéric De Gucht formuleert misschien onbedoeld nog de beste samenvatting van wat cannabisgebruikers al jaren zeggen. “Neem alcohol. In Frankrijk is de wijncultuur Unesco-werelderfgoed. Wij hebben een biercultuur. Gaan we nu iedereen die ooit een glas alcohol drinkt stigmatiseren? Dat is volgens mij niet de rol van de staat.” Lees die woorden nog eens en vervang alleen “een glas alcohol drinkt” door “een joint rookt”. Gaan we nu iedereen die ooit cannabis gebruikt stigmatiseren? Is dat de rol van de staat? Bij alcohol klinkt die vraag blijkbaar redelijk, gematigd en zelfs vanzelfsprekend. Bij cannabis wordt ze plots een debat over legalisering, drugscriminaliteit en de bescherming van jongeren. Nochtans verandert het fundamentele principe niet: een gezondheidsrisico rechtvaardigt informatie, preventie en regulering, maar niet automatisch de morele veroordeling van iedere gebruiker.
En dan is er Walter De Donder, die vindt dat de nieuwe slogan “heel betuttelend” overkomt en zegt dat hij zich er zelfs door “terechtgewezen” en “schuldig” door voelt. Hij verdedigt bier als onderdeel van onze cultuur en noemt alcohol “een verbindende factor in onze gemeenschap”. Vervolgens zegt hij iets waar ik als cannabisgebruiker onmogelijk bezwaar tegen kan hebben: “De mensen zijn oud en wijs genoeg om zelf te weten wat ze moeten denken en wat ze moeten eten en drinken. Dat hoeft de overheid niet te bepalen.” Het is een prachtige zin. Alleen zou ik graag weten vanaf hoeveel milligram THC die volwassen Belg plots ophoudt oud en wijs genoeg te zijn. Wanneer verandert de verantwoordelijke burger die zelf mag bepalen wat hij in zijn lichaam stopt in een drugsgebruiker die tegen zichzelf moet worden beschermd?
Dat is wat deze hele discussie zo genadeloos zichtbaar maakt. We hebben in België geen consequente visie op drugs. We hebben een visie op ónze drug en een andere visie op de drugs van anderen. Rond alcohol bouwen we een verhaal van brouwers, familiebedrijven, vakmanschap, cafés, gastronomie, festivals, voetbal, vrienden, erfgoed en nationale trots. Rond cannabis bouwden we een verhaal van dealers, politie, parket, controles, boetes, huiszoekingen, criminaliteit en overlast. Vervolgens wijzen we naar die twee totaal verschillende beelden als bewijs dat de middelen totaal verschillend moeten worden behandeld. De bierdrinker is een burger die met mate geniet. De cannabisgebruiker is een probleem dat moet worden ontmoedigd. De brouwer is een gepassioneerde vakman die we niet mogen stigmatiseren. De cannabisteler is iemand die een verboden product produceert. De illegale markt voor vapes is een argument tegen te strenge regelgeving; de illegale markt voor cannabis is een argument vóór strengere repressie.
Laat daarom die pint gerust staan. Laat brouwers trots zijn op hun bier en laat politici onze biercultuur verdedigen. Laat Conner Rousseau met zijn maten drinken, Walter De Donder zonder schuldgevoel een Affligem bestellen en Axel Ronse terecht het verschil maken tussen alcoholgebruik en alcoholmisbruik. Maar wees dan consequent. Als “alcohol schaadt de gezondheid” volgens politici een ondraaglijke veralgemening is omdat niet iedere gebruiker problematisch gebruikt, stop dan ook met cannabis uitsluitend vanuit zijn schade te definiëren. Als mensen volgens Mahdi zelf keuzes mogen maken, laat dat principe dan niet eindigen aan de deur van het café. Als volwassenen volgens De Donder oud en wijs genoeg zijn om te bepalen wat ze consumeren, leg dan uit waarom die wijsheid verdampt zodra ze een verboden plant verkiezen boven een legaal glas.
En vooral: als Axel Ronse vindt dat drie woorden onder een advertentie brouwers kunnen stigmatiseren, dan wordt het misschien tijd dat de politiek zich afvraagt wat tientallen jaren strafrecht met cannabisgebruikers hebben gedaan.
