Brouwers ontdekken het stigma
Een terras dat volloopt bij de eerste zonnestraal. De toog van een café na een voetbalmatch. Een tafel waar drie generaties samen klinken op een verjaardag. De Belgische brouwers vragen in hun open brief: zijn dit schadelijke momenten? Natuurlijk niet, is hun antwoord. Een pint is volgens hen meer dan alcohol. Het is ontmoeting, traditie, horeca, vakmanschap en Belgische cultuur. Daarom vinden ze het onaanvaardbaar dat binnenkort op alcoholreclame de boodschap “Alcohol schaadt de gezondheid” moet staan. Niet “alcoholmisbruik”, maar alcohol. Dat ene woord verschil zou volgens hen mensen die verantwoord van een pint genieten onnodig stigmatiseren.
Ik moest bij het lezen vooral aan cannabis denken. Want als drie woorden op een advertentie volgens brouwers voldoende zijn om consumenten, producenten en een hele cultuur te stigmatiseren, welk woord moeten we dan gebruiken voor wat België al decennialang met cannabisgebruikers doet? Zij krijgen geen vervelende slogan onderaan een advertentie. Zij krijgen het strafrecht. Cannabis voor recreatief gebruik heeft geen legale winkel, geen gereguleerde producent, geen gecontroleerde verpakking en zelfs geen legale reclame waarop de overheid een gezondheidswaarschuwing zou kunnen zetten. Wie cannabis bezit, kan met politie en justitie in aanraking komen. Wie zelf cannabis teelt, bevindt zich eveneens buiten het wettelijke kader. Wie verkoopt, riskeert ernstige strafrechtelijke gevolgen. En wie als consument cannabis wil gebruiken, moet zijn product vervolgens kopen op een illegale markt die precies door dat verbod in stand wordt gehouden.
Een uitspraak van brouwer Bart Cuypers van Het Nest maakt de tegenstelling bijna absurd mooi. Hij zei naar aanleiding van de open brief dat brouwers door de nieuwe regels “precies aanzien worden als drugsdealers”. Ik begrijp wat hij bedoelt: hij wil zeggen dat een legale sector volgens hem onterecht wordt behandeld alsof hij iets verwerpelijks verkoopt. Maar precies die vergelijking toont hoe diep het stigma zit. Niemand wil een drugsdealer zijn. Zelfs niet metaforisch. Alleen vergeten we daarbij gemakkelijk dat achter dat woord “dealer” een markt zit die wij zelf illegaal hebben gemaakt. De cannabisverkoper kan geen gereglementeerde handelszaak openen, belastingen betalen, zijn producten laten testen en aan wettelijke kwaliteitsnormen voldoen, precies omdat de overheid hem dat verbiedt. Vervolgens gebruiken we het feit dat hij op een illegale markt opereert als bewijs dat cannabis thuishoort in de criminele sfeer.
Verder is vooral één argument uit de open brief fascinerend. De brouwers waarschuwen dat de overheid het onderscheid tussen “misbruik en verantwoord genieten” niet mag uitwissen. Daar ben ik het eigenlijk volkomen mee eens. Alleen zou ik dat principe graag eens consequent toegepast zien. Bij alcohol vinden we het vanzelfsprekend dat iemand die op zaterdagavond twee pinten drinkt niet automatisch een alcoholist is. We maken onderscheid tussen een glas wijn bij het eten, dronkenschap, problematisch gebruik, afhankelijkheid en chronisch alcoholmisbruik. Bij cannabis verdwijnt die nuance merkwaardig snel. Uiteraard bestaat problematisch cannabisgebruik. Uiteraard zijn er gezondheidsrisico’s en moeten minderjarigen worden beschermd. Maar waarom zou cannabisgebruik per definitie iets fundamenteel anders zijn dan alcoholgebruik? Waarom kunnen we bij het ene product spreken over verantwoord genieten, terwijl bij het andere product zelfs bezit voor persoonlijk gebruik verboden blijft?
Nog interessanter wordt het wanneer de politiek zich ermee bemoeit. De open brief wordt namelijk niet alleen gedragen door brouwers, horecaorganisaties en andere economische spelers. Ook Axel Ronse van N-VA en Benoît Piedbœuf van MR steunen hem. Dat zijn niet twee willekeurige gemeenteraadsleden. Het zijn de Kamerfractieleiders van twee partijen die zelf deel uitmaken van de federale meerderheid. Politici uit de meerderheid komen dus mee op tegen een gezondheidsboodschap omdat die volgens de sector te weinig nuance bevat en mensen stigmatiseert. De overheid moet volwassen burgers niet betuttelen. Ze moet onderscheid maken tussen gebruik en misbruik. Ze moet rekening houden met cultuur, economie, persoonlijke verantwoordelijkheid en sociaal gebruik.
Prima. Waar kan ik tekenen?
Want het zijn precies argumenten die in het Belgische cannabisdebat al jarenlang worden aangevoerd en daar veel minder gemakkelijk gehoor vinden. Wanneer het over bier gaat, spreken politici over verantwoordelijkheid en genieten. Wanneer het over cannabis gaat, spreken politici veel sneller over drugscriminaliteit, dealers, overlast en repressie. De volwassen burger die blijkbaar perfect in staat is om zelf te bepalen of hij één, twee of vijf pinten drinkt, verandert na het aansteken van een joint plots in iemand tegen wie de overheid hem desnoods met het strafrecht moet beschermen.
Daar zit een merkwaardige politieke tegenstelling. N-VA behoort bijvoorbeeld tot de partijen die bijzonder sterk inzetten op repressie tegen illegale drugs. De partij pleit geregeld voor een harde aanpak van drugscriminaliteit en drugsgebruik wordt in dat politieke verhaal gemakkelijk verbonden met de criminele economie erachter. Maar precies daar ontstaat de cirkelredenering. Cannabis wordt verboden, waardoor de productie en verkoop naar een illegale markt worden geduwd. Vervolgens wordt de consument erop gewezen dat zijn aankoop die illegale markt financiert. Bij alcohol hebben we dat probleem grotendeels opgelost door productie en verkoop te reguleren. Een brouwer die duizenden liters psychoactieve drank produceert, is geen drugsproducent maar een ondernemer. Een cafébaas die het verkoopt, is geen dealer maar een horeca-uitbater. De overheid heft accijnzen, controleert productievoorwaarden en bepaalt een minimumleeftijd. Niemand beweert daarom dat alcohol ongevaarlijk is. We hebben alleen beslist dat regulering verstandiger is dan een zwarte markt.
De cannabisconsument mist daardoor zelfs een aantal beschermingen die voor de alcoholconsument volkomen normaal zijn. Op een fles bier staat hoeveel alcohol erin zit. De producent is bekend. Het productieproces is gereguleerd. Wie een fles koopt, hoeft zich niet af te vragen of die in een clandestiene brouwerij werd geproduceerd en welke onbekende stoffen erin terechtgekomen zijn. Een cannabisgebruiker op de illegale markt heeft veel minder zekerheid over de sterkte of samenstelling van zijn product. Hij weet niet altijd hoeveel THC erin zit, welke bestrijdingsmiddelen zijn gebruikt of of het product verontreinigd is. Vervolgens wordt dat gebrek aan controle soms als argument gebruikt om te benadrukken hoe gevaarlijk cannabis kan zijn. Dat een deel van die onzekerheid juist voortvloeit uit het verbod, blijft opvallend vaak buiten beeld.
Ook op het vlak van verkeersveiligheid wordt het verschil zichtbaar. Niemand zal betwisten dat rijden onder invloed van cannabis gevaarlijk is en streng moet worden aangepakt. Maar een rationeel drugsbeleid zou moeten proberen vast te stellen of iemand daadwerkelijk onder invloed achter het stuur zit. Bij cannabis is dat bijzonder ingewikkeld, omdat de aanwezigheid van stoffen of metabolieten niet noodzakelijk hetzelfde vertelt als een alcoholpromillage. Het fundamentele principe zou nochtans hetzelfde moeten zijn: pak gevaarlijk gedrag aan, niet iemands morele status als gebruiker. Wie onder invloed rijdt, brengt anderen in gevaar. Wie thuis op zaterdagavond een middel gebruikt zonder iemand lastig te vallen, bevindt zich in een heel andere situatie.
En dan is er nog medicinale cannabis. Daar wordt de tegenstelling haast absurd. Cannabis is niet alleen een recreatieve drug, maar bevat ook stoffen die medisch worden onderzocht en toegepast. Toch blijft de toegang tot medicinale cannabis in België bijzonder beperkt. Patiënten komen daardoor terecht in een debat waarin geneeskunde, drugsbeleid en strafrecht door elkaar lopen. Ondertussen kun je zonder probleem een supermarkt binnenlopen en kiezen tussen tientallen alcoholhoudende producten, van een pilsje van vijf procent tot sterke drank van veertig procent. Niemand vraagt waarom je die fles koopt of hoeveel glazen je van plan bent te drinken.
Ook het culturele argument van de brouwers verdient aandacht. Belgische biercultuur is door UNESCO erkend als immaterieel cultureel erfgoed. Daar mogen we gerust trots op zijn. Maar cultureel erfgoed verandert de farmacologie van alcohol natuurlijk niet. Ethanol wordt niet minder schadelijk omdat het in een mooi glas wordt geschonken door een brouwerij die al driehonderd jaar bestaat. Wat cultuur wel doet, is bepalen hoe wij een drug bekijken. Rond alcohol hebben we een uitgebreid sociaal verhaal gebouwd: vakmanschap, gastronomie, caféleven, streekproducten, familiefeesten, terrasjes, voetbal, gezelligheid en traditie. Rond cannabis hebben we decennialang een totaal ander verhaal gebouwd: drugs, dealers, plantages, criminaliteit en politie. Dat verschil is niet uitsluitend wetenschappelijk. Het is ook historisch, cultureel en politiek.
Daarom is ook de vrees voor stigma uit de open brief zo opvallend. De brouwers vinden dat de boodschap “Alcohol schaadt de gezondheid” mensen een schuldgevoel kan bezorgen terwijl ze gewoon samen willen genieten. Cannabisgebruikers hoeven nauwelijks uitgelegd te krijgen wat stigma betekent. Bij hen gaat het niet over drie woorden onderaan een reclameaffiche. Het gaat over het risico om als drugsgebruiker te worden bekeken, over politiecontroles, inbeslagnames en mogelijke juridische gevolgen. Het gaat over het merkwaardige maatschappelijke onderscheid waarbij iemand die ’s avonds drie zware bieren drinkt gewoon een gezellige avond kan hebben gehad, terwijl iemand die een joint rookt juridisch een verboden product bezit. Een brouwer produceert een streekproduct. Een cannabisproducent heeft een plantage. Bier wordt verkocht door een handelaar of cafébaas. Cannabis wordt verkocht door een dealer. Wie een collectie speciaalbieren in zijn kelder heeft, is misschien een liefhebber. Wie thuis cannabis bewaart, bezit drugs. De ene psychoactieve stof heeft degustaties, cafés, brouwerijbezoeken, sommeliers, toeristische routes en cultureel erfgoed. De andere heeft politieberichten, inbeslagnames, huiszoekingen en correctionele rechtbanken.
Het merkwaardige is daarom dat ik de Belgische brouwers op een essentieel punt gelijk geef. Een goed drugsbeleid moet inderdaad onderscheid maken tussen gebruik en misbruik. Het moet minderjarigen beschermen. Het moet verslaving en problematisch gebruik ernstig nemen. Het moet mensen correct informeren over gezondheidsrisico’s. Het moet optreden wanneer iemand anderen in gevaar brengt. En het moet volwassen mensen niet nodeloos stigmatiseren.
Maar waarom zou dat alleen voor alcohol gelden?
Als Axel Ronse, Benoît Piedbœuf en al die brouwers en horecamensen vinden dat de overheid volwassen burgers voldoende moet vertrouwen om geïnformeerd met alcohol om te gaan, dan lijkt mij de volgende vraag onvermijdelijk: waarom vertrouwen we diezelfde volwassen burger niet wanneer hij cannabis gebruikt? Als “gebruik is niet hetzelfde als misbruik” een belangrijk principe is wanneer honderd brouwerijen erom vragen, waarom wordt dat principe dan zo moeilijk zodra cannabis ter sprake komt?
Hetzelfde geldt voor bekende mensen als Piet Huysentruyt en Viktor Verhulst. Niemand zal hun carrière in gevaar brengen omdat ze publiek hun naam zetten onder een campagne die alcohol verdedigt. Waarschijnlijk zullen weinig mensen zelfs maar de conclusie trekken dat zij zelf veel drinken. Ze verdedigen een principe en een cultuur, niet noodzakelijk hun persoonlijke consumptie. Stel je nu een paginagrote advertentie voor waarin bekende Vlamingen met naam en foto pleiten voor het recht van volwassenen om cannabis te gebruiken en voor een gereguleerde cannabismarkt. De maatschappelijke lading zou onmiddellijk anders zijn. Alleen al openlijk zeggen dat je cannabis gebruikt, kan nog altijd een heel ander oordeel oproepen dan vertellen dat je graag een goed glas wijn drinkt. Dat verschil is stigma in zijn zuiverste vorm.
Terwijl de Belgische alcoholsector vandaag een nationale campagne voert tegen drie woorden die hij stigmatiserend vindt, leeft de Belgische cannabisgebruiker al decennialang met een boodschap die veel langer is.
Ze staat in het Strafwetboek.
