Van nuance naar nul onderscheid: hoe cannabis opnieuw de zondebok wordt
De beslissing van het Limburgse parket om geen onderscheid meer te maken tussen softdrugs en harddrugs wordt door het NICC voorgesteld als een noodzakelijke correctie op een zogezegd achterhaald imago van cannabis. Dat beeld klinkt kordaat, maar het is vooral een voorbeeld van hoe complex druggebruik steeds opnieuw wordt herleid tot één variabele: sterkte.
Dat cannabis vandaag gemiddeld meer THC bevat dan vijfentwintig jaar geleden, is geen betwistbaar feit. De cijfers van het NICC tonen een duidelijke stijging. Maar de manier waarop die vaststelling politiek en juridisch wordt ingezet, verdient meer nuance dan ze nu krijgt. Sterkte op zich is geen morele of juridische categorie. Ze wordt dat pas wanneer ze losgekoppeld wordt van context, gebruikspatroon en vergelijking met andere legale roesmiddelen.
Wie consequent wil redeneren, kan niet rond alcohol heen. Alcohol is een psychoactieve stof met een goed gedocumenteerd verband met agressie, verkeersongevallen, verslaving en chronische gezondheidsschade. De sterkte ervan is perfect gekend en varieert enorm, van bier tot sterke drank. Toch leidt een stijging in alcoholpercentages niet tot het afschaffen van onderscheid tussen bier en jenever, laat staan tot een collectieve criminalisering van bezit. Integendeel, regulering laat toe om te sturen op samenstelling, verpakking, beschikbaarheid en voorlichting. Precies dat ontbreekt bij cannabis.
De stijging van het THC gehalte is geen natuurwet, maar een rechtstreeks gevolg van illegaliteit. In een verboden markt wordt niet gestuurd op voorspelbaarheid, dosering of evenwichtige samenstelling, maar op winst, volume en efficiënt transport. Dat leidt tot compacte, sterke producten die minder ruimte innemen en meer opbrengen. Illegaal beleid creëert zo zelf de risico’s die het vervolgens als argument gebruikt om repressie te verantwoorden. Dat is geen bestrijding van schade, maar een vicieuze cirkel.
Het argument van psychoserisico’s past in datzelfde patroon. Ja, er bestaat een verband tussen hoge THC dosissen en een verhoogd risico op psychotische episodes, zeker bij kwetsbare groepen. Maar ook hier ontbreekt de context. Het risico is niet uniform verdeeld over alle gebruikers, noch vergelijkbaar met acute intoxicatie door andere middelen. Bovendien is er een groot verschil tussen correlatie en oorzaak. Dat onderscheid verdwijnt wanneer cannabis als homogene gevaarlijke stof wordt voorgesteld, los van frequentie, leeftijd, genetische kwetsbaarheid en combinatie met andere middelen.
Ook het verkeersargument vraagt meer voorzichtigheid dan nu wordt betracht. Dat een aanzienlijk deel van bestuurders die positief testen op drugs cannabis heeft gebruikt, zegt weinig zonder inzicht in de meetmethode. Speekseltesten detecteren restsporen, geen actuele intoxicatie. THC kan dagen na gebruik nog aantoonbaar zijn, terwijl het cognitieve effect al lang verdwenen is. De vergelijking met alcohol gaat hier opnieuw mank. Alcoholtesten meten actuele invloed, niet louter aanwezigheid. Door beide gelijk te behandelen in handhaving maar niet in meetnauwkeurigheid, ontstaat een juridisch en wetenschappelijk scheefgetrokken kader.
De kernvraag blijft onbesproken: wat wil dit beleid oplossen? Minder gebruik, minder schade, meer verkeersveiligheid, minder criminaliteit. Het samenvoegen van alle drugs tot één categorie suggereert eenvoud, maar maskeert vooral een gebrek aan onderscheidend denken. Cannabis wordt niet gevaarlijker omdat ze vandaag sterker is. Ze wordt gevaarlijker omdat ze ongereguleerd is, oncontroleerbaar in samenstelling, en benaderd wordt met instrumenten die beter passen bij symboliek dan bij volksgezondheid.
Door soft en harddrugs over één kam te scheren, verdwijnt niet alleen nuance, maar ook verantwoordelijkheid. De verantwoordelijkheid om te reguleren, te informeren en proportioneel te handhaven. Wat overblijft is een signaal, luid maar leeg, dat meer zegt over beleidsarmoede dan over bescherming van de samenleving.
