De retoriek van de drugsopsomming
Het artikel over de politieactie op de Keyserlei presenteert zich als een neutraal verslag van een koopzondag met wat extra controles. De toon is feitelijk, de structuur overzichtelijk. En precies daarin schuilt het probleem. Want wat als feitelijkheid wordt gepresenteerd, is in werkelijkheid een zorgvuldig opgebouwde beeldvorming die door de politie wordt aangereikt en door de journalist zonder frictie wordt overgenomen.
De kern zit in één ogenschijnlijk onschuldige zin. “De teams namen verschillende soorten drugs in beslag, zoals joints, marihuana, hasj, speed en XTC.” Vijf termen, netjes op een rij. Vijf “soorten”. Het klinkt ernstig, veelzijdig, bijna chaotisch. Maar wie even stilstaat bij die opsomming, ziet meteen hoe misleidend ze is. Joints, marihuana en hasj zijn geen drie verschillende drugs. Het is dezelfde stof, cannabis, in verschillende vormen of benamingen. De werkzame component is identiek. Het juridisch statuut is identiek. Het effect is in essentie identiek.
Door die drie apart te benoemen, creëert de politie woordvoerder een kunstmatig gevoel van omvang. Drie keer cannabis leest als meer dan één keer cannabis. Het is retoriek, geen informatie. En het is geen toeval. Dit soort opsommingen wordt al jaren gebruikt om cijfers zwaarder te laten doorwegen en acties indrukwekkender te doen lijken dan ze zijn.
De vergelijking met andere middelen maakt dat pijnlijk duidelijk. Stel dat men bij alcoholcontroles zou spreken over bier, wijn en sterke drank als drie aparte drugs en ze samen zou opsommen met cocaïne. Of dat men bij medicijnen paracetamol, Dafalgan en een pijnstiller in poedervorm afzonderlijk zou tellen. Niemand zou dat ernstig nemen. Maar bij cannabis lijkt die semantische truc plots aanvaardbaar.
Wat de beeldvorming verder versterkt, is de context waarin de opsomming wordt geplaatst. Cannabis wordt zonder onderscheid naast speed en XTC gezet, middelen met een totaal ander gebruikspatroon en risicoprofiel. Zo ontstaat een diffuse dreiging waarin alles onder het label “drugs” valt en nuance overbodig wordt. Voor de lezer blijft vooral het gevoel hangen dat er “van alles” van de straat is gehaald.
Daar stopt het niet. In hetzelfde artikel worden drugsgebruik, slapen op straat, bedelen, foutparkeren en de verkoop van namaakparfum samengebracht in één verhaal. Het zijn inhoudelijk totaal verschillende fenomenen, maar ze worden gepresenteerd als onderdelen van één probleemzone. Overlast. Kleine criminaliteit. Onveiligheid. De opsomming werkt niet beschrijvend, maar suggestief.
Wat hier gebeurt, is geen bewuste leugen, maar wel een vorm van framing. De politie levert een verhaal aan waarin taal zorgvuldig wordt ingezet om actie, controle en daadkracht te tonen. De journalist neemt dat verhaal over zonder het te ontleden, zonder de begrippen uit elkaar te trekken, zonder zich af te vragen wat er nu werkelijk wordt gezegd. Zo wordt communicatie beleid, en beleid wordt realiteit.
Het resultaat is een opgeblazen beeld: geen analyse, geen context, geen kritische vraag over waarom drie benamingen voor één middel als drie feiten worden gepresenteerd. Alleen een opsomming die moet imponeren. Wie echt wil informeren, begint bij correcte taal. En wie journalistiek ernstig wil nemen, hoort die taal niet zomaar door te geven, maar te bevragen. Want de joint op de Keyserlei is geen nieuw probleem. De manier waarop ze drie keer wordt meegeteld, wel.
