De stille rol van rijkdom in handhaving
Wie te snel rijdt in Vlaanderen, weet vrij goed waar hij aan toe is. Flitspalen staan aangekondigd, trajectcontroles zijn gekend en werken consequent. Wie elke dag dezelfde route neemt en systematisch te snel rijdt, vergroot zijn kans op een boete aanzienlijk. De pakkans is ingebouwd in het systeem en werkt grotendeels onafhankelijk van wie je bent of hoe je leeft. Een dure wagen of een oude stadsauto maakt geen verschil. Het resultaat is voorspelbaar: mensen passen hun gedrag aan omdat de kans op controle reëel en relatief gelijk verdeeld is.
Zet daar drugsbezit naast en het beeld kantelt volledig. Twee mensen hebben exact dezelfde hoeveelheid cannabis voor eigen gebruik. De ene zit ’s avonds in een afgesloten tuin achter een woning, buiten zicht en zonder interactie met de publieke ruimte. De andere zit met vrienden op een bankje in een park. Juridisch is er geen verschil. In de praktijk is de kans op controle totaal anders. In het park volstaat één patrouille, één melding of gewoon aanwezigheid om een interventie uit te lokken. In de tuin gebeurt niets.
Die scheeftrekking stopt daar niet. Ze wordt versterkt door sociale en economische factoren. Wie over financiële middelen beschikt, koopt privacy. Een eigen woning met buitenruimte, een rustige buurt, de mogelijkheid om zich binnenshuis terug te trekken. Wie mobiel is, met een eigen wagen, bepaalt zelf zijn verplaatsingen en beperkt contactmomenten met controle. Wie die middelen niet heeft, leeft zichtbaarder. Kleine appartementen zonder buitenruimte, afhankelijkheid van publieke plaatsen om af te spreken, verplaatsingen via openbaar vervoer, aanwezigheid in parken, pleinen en stations. Dat zijn net de plekken waar controle plaatsvindt.
Het gevolg is dat de pakkans bij drugsbezit niet alleen laag en willekeurig is, maar ook sociaal ongelijk verdeeld. Niet het gedrag zelf, maar de levensomstandigheden bepalen in grote mate het risico om betrapt te worden. Twee identieke handelingen krijgen een verschillend risicoprofiel afhankelijk van inkomen, woonvorm en mobiliteit.
Daaruit ontstaat een tweede effect: de focus van handhaving verschuift automatisch naar de meest zichtbare groep. Jongeren in publieke ruimtes, mensen in dichtbevolkte wijken, gebruikers zonder private uitwijkmogelijkheden. Zij worden vaker gecontroleerd, vaker betrapt en dus vaker gesanctioneerd. Niet noodzakelijk omdat ze meer overtredingen begaan, maar omdat ze zichtbaarder zijn binnen het systeem.
Dat leidt tot stigmatisering. De groep die het vaakst in contact komt met handhaving, wordt ook de groep die in statistieken, berichtgeving en beleid naar voren komt als “probleem”. Zo ontstaat een beeld dat bepaalde profielen of omgevingen meer gelinkt zijn aan drugsgebruik, terwijl dat beeld in werkelijkheid mede wordt geproduceerd door de manier waarop gecontroleerd wordt.
Die dynamiek houdt zichzelf in stand. Meer controles in bepaalde wijken of op bepaalde groepen leiden tot meer vaststellingen daar, wat op zijn beurt nieuwe controles rechtvaardigt. Intussen blijven andere gebruikers, in meer afgeschermde omstandigheden, grotendeels buiten beeld. Het systeem corrigeert zichzelf niet, maar versterkt bestaande verschillen.
In het verkeer probeert men net het omgekeerde te doen. Daar is de pakkans zo georganiseerd dat ze breed en relatief gelijk verdeeld is, los van sociale positie. Bij drugsbezit gebeurt het tegenovergestelde. De kans op sanctionering volgt de lijnen van sociale ongelijkheid.
En precies daar ligt het fundamentele verschil. Niet in de hoogte van de boetes, maar in de manier waarop de pakkans wordt verdeeld. Bij snelheidsovertredingen is ze een instrument om gedrag te sturen. Bij drugsbezit is ze versnipperd, contextgebonden en sociaal gekleurd. Niet alleen toeval speelt een rol, maar ook wie je bent, waar je woont en hoe zichtbaar je leven is.
Het gevolg is een systeem waarin niet iedereen die dezelfde overtreding begaat, hetzelfde risico loopt. En waarin handhaving, zonder dat expliciet te willen, bijdraagt aan het bevestigen van sociale ongelijkheid en het in stand houden van een selectief beeld van wie “de gebruiker” is.
