N-VA: Niet Voor Andere Keuzes
“Wij passen voor een samenleving waar alle maatschappelijke problemen moeten worden opgelost met regeltjes en verboden.” Met die uitspraak in het Vlaams Parlement zette Sanne Van Looy een duidelijke lijn uit. Fastfood nabij scholen bannen via ruimtelijke ordening? Dat is volgens haar “betutteling”. Jongeren moeten “leren omgaan met prikkels en verleiding”. En vooral: “een verbod is eigenlijk altijd een zwaktebod”.
Het klinkt als een principieel pleidooi voor vrijheid en verantwoordelijkheid. Een overheid die zich terughoudend opstelt. Burgers die zelf keuzes maken, ook wanneer die keuzes niet ideaal zijn.
Dat principe lijkt stevig. Tot je het naast de praktijk legt.
Neem het beeld rond Matthias Diependaele. Volgens zijn vaste frituren eet hij “tot tien keer per week frietjes”. “Hij komt hier al jaren over de vloer”, klinkt het. “Zijn bestelling is ook al jaren dezelfde.” Het beeld is bijna politiek bruikbaar: een minister-president die zich als “klant zoals alle anderen” gedraagt, die geniet van iets typisch Vlaams, die zichtbaar keuzes maakt binnen een omgeving vol verleiding.
Niemand stelt voor om frituren te verbieden. Niemand pleit voor politiecontroles aan de deur van frituur Happy of De Brug. Niemand vraagt zich af of een frequente frietconsumptie aanleiding moet geven tot interventie. Integendeel. Het wordt gezien als een persoonlijke voorkeur, misschien zelfs als een stukje herkenbaarheid.
Dat is precies de logica die Van Looy verdedigt: mensen maken keuzes, en de overheid moet daar niet tussenkomen met verboden.
Maar stel nu even een andere situatie voor.
Stel dat een politicus publiek zou zeggen dat hij meerdere keren per week cannabis gebruikt. Niet in het geheim, maar openlijk. Stel dat hij dat koppelt aan een pleidooi voor gereguleerde verkoop, voor kwaliteitscontrole, voor een model waarin gebruik uit de criminaliteit wordt gehaald en in een gecontroleerde omgeving wordt geplaatst.
Zou de reactie dezelfde zijn?
Zou dat worden onthaald als een voorbeeld van persoonlijke vrijheid? Als een politicus die “gewoon een burger is zoals alle anderen”? Zou men zeggen: dit is een kwestie van leren omgaan met verleiding?
Of zou het debat meteen kantelen naar verantwoordelijkheid, voorbeeldfunctie en de nood aan duidelijke grenzen? Zou er gesproken worden over normalisering, risico’s en het gevaar van een verkeerd signaal?
Het antwoord ligt voor de hand.
En precies daar wordt de spanning zichtbaar.
Want de redenering die de N-VA hanteert in het debat over fastfood, verdwijnt volledig in het debat over cannabis. Waar voeding wordt benaderd als een domein van individuele verantwoordelijkheid, wordt cannabis benaderd als een domein van strafrecht. Waar men waarschuwt voor overregulering, kiest men daar net voor een strikt verbodsmodel.
Dat verschil wordt nog scherper wanneer je kijkt naar de impact.
Overgewicht en obesitas vormen een van de grootste gezondheidsproblemen in Vlaanderen en Europa. Ze verhogen het risico op chronische aandoeningen zoals diabetes type 2, hart- en vaatziekten en bepaalde vormen van kanker. De maatschappelijke kost is enorm, zowel in gezondheidszorg als in verloren levenskwaliteit. Het is een structureel probleem, dat een groot deel van de bevolking treft.
En toch is de conclusie: geen verboden, geen ruimtelijke ingrepen, geen betutteling.
Cannabisgebruik brengt risico’s met zich mee, zeker bij intensief gebruik en bij jongeren. Maar het gaat om een minder wijdverspreid fenomeen, en internationaal verschuift het beleid steeds vaker richting regulering. Landen proberen gebruik te beheren in plaats van het louter te bestraffen.
En toch is de conclusie hier: verbieden, controleren, sanctioneren.
De vergelijking met het dagelijkse leven maakt het verschil tastbaar.
Een jongere die elke dag langs drie frituren loopt op weg naar school, moet volgens deze visie leren omgaan met die verleiding. Dat is een leerschool.
Een jongere die in een park een joint rookt, komt in aanraking met politie en justitie.
Een minister-president die meerdere keren per week frieten eet, illustreert persoonlijke vrijheid.
Een politicus die hetzelfde zou doen met cannabis, zou het symbool worden van een probleem.
Dat is geen consequent principe. Dat is een selectieve toepassing ervan.
De uitspraak van Van Looy maakt die tegenstelling expliciet. “Een verbod is een zwaktebod.” Als dat een algemeen principe is, dan geldt het ook voor cannabis. Als het daar niet geldt, dan is het geen principe, maar een keuze.
En die keuze lijkt minder te draaien om gezondheid of effectiviteit, en meer om wat maatschappelijk aanvaard is.
Frieten zijn genormaliseerd. Ze horen bij het straatbeeld, bij de cultuur, bij het dagelijkse leven. Cannabis niet. En precies dat verschil bepaalt hoe streng de overheid optreedt.
Niet de impact, maar de perceptie.
Het gevolg is een beleid dat moeilijk coherent te noemen is. Dat vrijheid verdedigt waar ze comfortabel is, en repressie toepast waar ze schuurt. Dat jongeren verantwoordelijkheid toedicht in het ene domein, en hen in het andere domein onder toezicht plaatst.
En dat maakt de vergelijking met Diependaele relevanter dan ze op het eerste gezicht lijkt.
Niet omdat frieten en cannabis hetzelfde zijn.
Maar omdat de manier waarop we ermee omgaan blootlegt welke principes echt gelden.
En welke alleen worden gebruikt wanneer ze goed uitkomen.
