De normalisering van disproportioneel cannabisbeleid
Twee broers roken een joint in een geparkeerde wagen in Nieuwpoort. De politie merkt tijdens een routinecontrole een cannabisgeur op. Eén van hen blijkt effectief een joint aan het roken. Vervolgens volgt een huiszoeking bij hen thuis waarbij twintig gram cannabis wordt aangetroffen. Uiteindelijk stelt het parket voor dat beide mannen een “drugsbehandelingstraject” volgen.
Lees die opeenvolging eens traag en letterlijk zoals ze in het artikel staat.
Een joint.
Een cannabisgeur.
Een huiszoeking.
Een behandelingstraject.
Dat is een bijzonder zware escalatie van staatsingrijpen voor een bijzonder beperkte initiële vaststelling.
Een huiszoeking is immers geen detail. Het is een van de meest ingrijpende middelen waarover politie en justitie beschikken, omdat de overheid daarmee letterlijk de privésfeer van burgers binnendringt. Woningen worden doorzocht, persoonlijke spullen bekeken en gezinslevens plots onderwerp van politiecontrole.
Normaal associeert men zulke ingrepen met ernstige feiten: geweld, georganiseerde criminaliteit, wapenbezit, grootschalige fraude of concrete aanwijzingen van handel.
Maar hier is de aanleiding letterlijk dat “een van hen een joint aan het roken” was.
En wat levert dat binnendringen uiteindelijk op?
Twintig gram cannabis.
Geen wapens.
Geen crimineel netwerk.
Geen slachtoffers.
Geen geweld.
Geen aanwijzingen van professionele handel.
Toch wordt de huiszoeking in het artikel voorgesteld alsof die bijna automatisch volgt uit het simpele feit dat cannabis werd gerookt. Dat proportionaliteitsvraagstuk lijkt nauwelijks nog gesteld te worden zodra het woord “drugs” opduikt.
Stel dezelfde logica eens voor bij alcohol.
Twee volwassenen drinken bier in een geparkeerde wagen. De politie ruikt alcohol. Vervolgens wordt hun woning doorzocht om te kijken hoeveel flessen daar nog aanwezig zijn.
Iedereen zou intuïtief aanvoelen dat zo’n reactie totaal buiten verhouding staat tot de oorspronkelijke vaststelling.
Bij cannabis lijkt die grens plots veel rekbaarder, en dat zegt uiteindelijk veel over hoe cannabisgebruikers cultureel nog steeds bekeken worden: niet als volwassenen die een middel consumeren, maar als mensen bij wie gebruik automatisch verdere controle legitimeert.
Dat paternalistische aspect wordt nog explicieter in het tweede deel van het artikel.
De procureur stelt voor dat beide broers een “drugsbehandelingstraject” volgen, hoewel het artikel tegelijk vermeldt dat ze een “blanco strafblad” hebben en zelf aangeven: “We vinden zelf niet dat we een problematiek hebben.” Toch volgt daarna de veelzeggende passage: “Uiteindelijk gingen ze toch akkoord om het drugsbehandelingstraject op te starten.”
Daar zit iets fundamenteel vreemds in.
Behandeling veronderstelt normaal gezien een medische of psychologische noodzaak, een verslavingsproblematiek of minstens duidelijke maatschappelijke schade. Hier lijkt het traject vooral voort te vloeien uit het simpele feit dát cannabis werd aangetroffen.
Zelfs de manier waarop de broers hun ervaring beschrijven is opvallend: “We werden wat onder druk gezet door de politie om te bekennen dat we ook cannabis thuis hadden liggen.” Die zin passeert bijna achteloos in het artikel, terwijl ze eigenlijk raakt aan een fundamentele vraag over de verhouding tussen burger en overheid.
Want wanneer wordt “meewerken” impliciet druk?
Wanneer wordt een beperkte vorm van persoonlijk gebruik plots voldoende reden om niet alleen woningen binnen te gaan, maar ook mensen richting begeleiding en opvolging te duwen?
België noemt cannabisbezit voor persoonlijk gebruik al meer dan twintig jaar officieel de “laagste vervolgingsprioriteit”, maar tegelijk blijft de reflex opvallend repressief zodra gebruik concreet zichtbaar wordt. Een joint wordt niet behandeld als een beperkt gebruiksfeit, maar als een aanleiding voor binnendringen, opvolging en correctie.
En misschien is precies dat de kern van dit verhaal: niet alleen hoe snel een joint kan leiden tot een huiszoeking, maar ook hoe vanzelfsprekend het blijkbaar geworden is dat volwassen burgers zonder strafblad daarna nog moeten uitleggen waarom ze eigenlijk geen “problematiek” hebben.
