Het paternalistische cannabisbeleid van België
Er bestaan vandaag in België mensen die een drugsbehandelingstraject volgen omdat ze in een geparkeerde wagen een joint rookten. Dat klinkt niet als satire, maar het is letterlijk wat uit recente rechtbankverslaggeving blijkt. Twee broers worden in Nieuwpoort gecontroleerd omdat hun wagen “opviel” doordat de ramen open stonden. De politie ruikt cannabis, ziet één van hen een joint roken, doet vervolgens een huiszoeking en vindt twintig gram cannabis voor eigen gebruik. Daarna stelt het parket een drugsbehandelingstraject voor. De broers reageren verbaasd: “We vinden zelf niet dat we een problematiek hebben.” Uiteindelijk stemmen ze toch toe. Niet omdat ze plots overtuigd zijn dat ze zwaar verslaafd zijn, maar omdat het Belgische systeem impliciet duidelijk maakt dat meewerken verstandiger is dan weerstand bieden.
Dat is misschien nog het meest opvallende aan het Belgische cannabisbeleid: niet eens de strafrechtelijke repressie zelf, maar de paternalistische logica die eronder zit. Cannabisgebruik wordt niet alleen juridisch behandeld alsof het een maatschappelijk gevaar vormt, maar tegelijk psychologisch geframed alsof gebruikers mensen zijn die gecorrigeerd, begeleid of “gered” moeten worden. De gebruiker wordt tegelijk verdachte én patiënt. Alsof volwassenen die thuis cannabis bewaren automatisch mensen zijn die zichzelf niet meer rationeel kunnen inschatten.
Die therapeutisering van cannabisgebruik leidt tot hallucinante proporties. In Willebroek valt de politie binnen bij een koppel omdat een “goede vriend” melding maakte van een kleine thuiskweek. De politie vindt vijf bloempotten met cannabisplanten en een halve kilo geoogste cannabis. Vervolgens ontspoort de arrestatie volledig waar de kinderen bij staan: huilende kinderen, handboeien, geroep, een agent die gewond raakt tijdens het tumult. Uiteindelijk krijgt de vrouw een effectieve celstraf van een jaar. Lees die feiten eens traag opnieuw: vijf planten in een woning leiden tot een politie-inval die een gezin traumatisch door elkaar schudt.
Natuurlijk kan men discussiëren over verkoop of overlast. Maar de vraag is fundamenteel proportioneel: hoe ernstig moet een feit zijn vooraleer een staat het moreel gerechtvaardigd acht om letterlijk een woning binnen te vallen, kinderen een arrestatie van hun ouders te laten meemaken en gezinnen in een strafrechtelijke machine te trekken? Huiszoekingen behoren normaal tot de zwaarste instrumenten van justitie. Men associeert ze met georganiseerde criminaliteit, geweldmisdrijven, mensenhandel, terrorisme of ernstige fraude. In België worden ze ondertussen ook ingezet omdat iemand cannabisplanten in bloempotten heeft staan.
En tegelijk schuift de rest van de wereld steeds verder weg van dat model.
In Duitsland werd cannabis in 2024 gedeeltelijk gelegaliseerd. Volwassenen mogen er beperkte hoeveelheden bezitten en thuis planten kweken. Malta legaliseerde recreatief gebruik al eerder volledig. Luxemburg versoepelde eveneens de regels rond thuiskweek. In Canada bestaat al jaren een gereguleerde cannabismarkt. In tientallen Amerikaanse staten is recreatief cannabisgebruik legaal. Zelfs Zwitserland experimenteert met gereguleerde distributiemodellen. Het internationale debat verschuift steeds meer richting volksgezondheid, regulering en schadebeperking in plaats van strafrechtelijke escalatie.
België blijft daarentegen hangen in een merkwaardige morele dubbelpositie. Officieel spreekt men vaak over “gezondheidszorg” en “begeleiding”, maar in de praktijk gebeurt die begeleiding onder dreiging van vervolging, huiszoekingen en strafregisters. Dat is geen vrije hulpverlening. Dat is gedwongen conformiteit verpakt als zorg.
Het absurde wordt nog duidelijker wanneer men cannabis vergelijkt met alcohol. Alcohol veroorzaakt aantoonbaar meer maatschappelijke schade: verkeersdoden, agressie, familiale problemen, ziekenhuisopnames en verslaving. Toch zal niemand voorstellen om iemand die met bier in een wagen zit automatisch door te verwijzen naar een behandelingstraject, laat staan diens woning binnen te vallen op zoek naar extra voorraad. Niemand spreekt over “een alcoholproblematiek” omdat iemand thuis een paar bakken bier bewaart. Maar bij cannabis lijkt de Belgische staat voortdurend te vertrekken vanuit het idee dat gebruik op zich al verdacht is.
Wat hier eigenlijk zichtbaar wordt, is een diepgeworteld cultureel ongemak met het idee dat burgers zelf keuzes mogen maken over roesmiddelen. Het Belgische cannabisbeleid gaat al lang niet meer alleen over volksgezondheid. Het gaat over controle, normering en symbolische moraal. Over het signaal dat de overheid wil geven. Over het idee dat afwijkend gedrag gecorrigeerd moet worden, zelfs wanneer de maatschappelijke schade beperkt blijft.
En precies daarom voelen veel van die verhalen vandaag zo disproportioneel aan. Niet omdat cannabis volledig onschuldig is, maar omdat de reactie van justitie vaak zwaarder oogt dan het initiële gedrag zelf. Wanneer een joint of 5 planten kunnen leiden tot huiszoekingen, celstraffen, huilende kinderen en behandelingstrajecten, dan is het misschien niet alleen het cannabisbeleid dat problematisch is, maar vooral de manier waarop België nog steeds denkt over volwassen autonomie.
