Fatma, waarom vroeg u niet door?
Beste Fatma,
Ik keek gisteren naar het debat in De Afspraak over drugscriminaliteit en bleef vooral achter met de vragen die niet werden gesteld.
“Het is hier geen romantisch legaliseringsdebat”, klonk het bij de nationale drugscommissaris Ine Van Wymersch. “Die criminele organisaties gaan echt niet zeggen: in dat geval word ik ambtenaar. Die criminele markt wordt daarmee niet verdrongen.”
Dat was een interessant moment om even te stoppen.
Want waarom zou regulering pas zinvol zijn als criminelen daarna ambtenaar worden? De relevante vraag is toch hoeveel omzet je uit hun handen kunt halen? En daar had u een concreet voorbeeld kunnen aanhalen: cannabis.
Cannabis is de meest gebruikte illegale drug in Europa. Ongeveer 24 miljoen Europeanen tussen 15 en 64 jaar gebruikten het afgelopen jaar cannabis. De Europese illegale cannabismarkt wordt geschat op minstens 12 miljard euro per jaar. Cannabis is bovendien verweven met georganiseerde criminaliteit en andere illegale activiteiten.
Dus had u kunnen vragen: als we het criminele verdienmodel willen raken, waarom onderzoeken we dan niet of we minstens een deel van die miljardenmarkt uit criminele handen kunnen halen?
Even later formuleerde de drugscommissaris een tweede argument: “Sowieso zijn drugs ongezond. We zien dat we maatschappelijk aan de andere kant proberen alcohol en sigaretten zo ver mogelijk weg te houden omdat het ongezond is. Dan gaan we niet aan de andere kant de deur openzetten.”
Opnieuw bleef de voor de hand liggende vraag uit.
Alcohol en tabak zijn immers niet verboden. Ze worden gereguleerd. De overheid bepaalt wie ze mag produceren en verkopen, stelt leeftijdsgrenzen vast, controleert producten en beperkt reclame.
Waarom zou het feit dat cannabis gezondheidsrisico’s heeft dan een argument zijn tégen regulering? Je had evengoed kunnen vragen of gezondheidsrisico’s niet juist een argument zijn vóór meer controle op productie, samenstelling en verkoop.
Daarna ging het over gebruikers. Wie voor zijn plezier gebruikt omdat hij het kan betalen, vertoont volgens Ine Van Wymersch “asociaal gedrag”. Zonder gebruikers, zo luidde de redenering, bestaat de criminele markt niet.
Ook daar lag een vraag klaar: als miljoenen mensen ondanks het verbod cannabis blijven gebruiken, wat is dan realistischer? Wachten tot die vraag verdwijnt of onderzoeken of je de bevoorrading anders kunt organiseren?
En vervolgens kwam misschien wel het merkwaardigste moment.
“We moeten daar echt niet blind voor zijn, voor het kraken van dat criminele verdienmodel. Want dat is echt de kern, het hart, de reden van bestaan van die criminele organisaties.”
Om onmiddellijk daarna te besluiten:
“Alle andere debatten, zoals dat rond legalisering, zijn afleiding.”
Daar had het gesprek wat mij betreft even mogen stilvallen.
Want hoe kan een debat over het reguleren van een miljardenmarkt een afleiding zijn van een debat over het verdienmodel van criminelen die aan diezelfde markt miljarden verdienen?
Dat is geen pleidooi om morgen cocaïne in de supermarkt te leggen. Begin gewoon met cannabis. Andere landen durven daar ondertussen wél over na te denken. Duitsland veranderde zijn wetgeving, Malta en Luxemburg kozen eveneens voor gedeeltelijke legalisering en Nederland experimenteert met een gereguleerde productieketen.
Daarover kan men discussiëren. Werkt het? Hoeveel van de zwarte markt verdwijnt? Wat gebeurt er met het gebruik? Welke problemen ontstaan? Welke lessen kunnen wij eruit trekken?
Maar dan moet iemand die vragen stellen.
Het viel mij daarom op dat regulering in deze uitzending niet zozeer werd weerlegd. Het onderwerp werd vooral haast als een intellectuele frivoliteit terzijde geschoven. “Romantisch.” “Geen zin.” “Afleiding.” En daarna ging het gesprek verder over politie, justitie, gevangenissen, inbeslagnames en het volgen van crimineel geld.
Dat zijn noodzakelijke onderwerpen. Maar journalistiek betekent toch ook kritisch kijken naar het beleid waarmee we dat criminele geld zelf proberen te bestrijden?
