CannabisKenners

De podcast die pleit voor een Belgisch cannabisbeleid

Toggle navigation
  • Home
  • Podcast
  • Blog
  • Citaten
  • Interviews
  • Contact
  • Search

Eric Goens en de eenvoud van de war on drugs

Spread the love

Eric Goens en de eenvoud van de war on drugs

Wie Dealen met coke en de bijhorende interviews met Eric Goens leest en bekijkt, merkt vooral hoe snel complexiteit wordt ingeruild voor eenvoud. Niet eenvoud als helderheid, maar eenvoud als versmalling. “Drugs” wordt één woord, één probleem, één vijand. Dat is begrijpelijk in televisie, maar schadelijk in beleid.

In de eerste aflevering van de documentaire wordt cannabis expliciet naast cocaïne geplaatst. Niet als onderscheidend middel met een eigen gebruikspatroon, risico’s en geschiedenis, maar als onderdeel van hetzelfde probleem. Het visuele en narratieve effect is duidelijk: softdrugs, harddrugs, synthetische drugs, alles wordt onder één noemer geschoven. Het gevolg is dat elke vorm van differentiatie bij voorbaat verdacht wordt. Alsof nuance automatisch neerkomt op vergoelijking. Het loont om de woorden van Eric Goens uit de interviews in HLN en Het Nieuwsblad er af en toe uit te lichten en ernaast te leggen wat ze veronderstellen en vooral wat ze buiten beeld houden.

“Onschuldig een lijntje snuiven, dat bestaat niet.”

Die uitspraak vormt een moreel ankerpunt van de reeks. Maar ze wordt impliciet uitgebreid naar alle middelen die onder het label “drugs” vallen. Daardoor verdwijnen cruciale verschillen uit beeld. Cannabisgebruik wordt in dezelfde morele ruimte geplaatst als cocaïnegebruik, terwijl de maatschappelijke, medische en criminologische literatuur daar al decennia onderscheid in maakt. Niet om cannabis onschuldig te verklaren, maar om proportioneel te denken. Alcoholgebruik was tijdens de Amerikaanse drooglegging evenmin onschuldig. Niet omdat alcohol intrinsiek gewelddadig is, maar omdat de context dat maakte. Vandaag drinken miljoenen mensen een pint zonder daarmee geweldsketens te financieren. Niet door morele verhevenheid, maar door regulering.

“Recreatieve gebruikers zetten drugs soms op hetzelfde niveau als een sigaret smoren of een pint drinken, maar een pint is niet het product van een crimineel netwerk.”

Deze uitspraak is veelzeggend. Ze erkent impliciet dat het criminele karakter niet in het gebruik zelf zit, maar in de productieketen. Vanuit het standpunt van cannabisregulering is dit net het kernargument. Cannabis ís vandaag in België een product van criminele netwerken, niet omdat de plant dat vereist, maar omdat het beleid dat afdwingt. In landen waar cannabis gereguleerd is, verdwijnt dat criminele karakter grotendeels. De stof verandert niet, het systeem wel. De reden waarom alcohol geen product van een crimineel netwerk is, ligt niet in het molecuul ethanol, maar in het beleid errond. Productie onder toezicht. Verkoop gereguleerd. Belastingen geïnd. Kwaliteit gecontroleerd. Bij drugs weigeren we dat kader zelfs maar te overwegen en zijn we vervolgens verbaasd dat criminaliteit de hele keten domineert.

Toch wordt cannabis in de documentaire niet als beleidsvraagstuk behandeld, maar als moreel opstapje. Door het naast cocaïne te plaatsen, wordt het meegezogen in het geweldsverhaal. Dat is analytisch onjuist en beleidsmatig contraproductief. Het versterkt het idee dat regulering onmogelijk is, omdat “drugs” per definitie ontsporen. En net daarmee wordt precies het debat gesmoord dat de afgelopen tien jaar internationaal aan terrein wint.

“Hipsters beseffen niet welke troep ze opsnuiven.”

Die uitspraak richt zich formeel op cocaïnegebruikers, maar ze versterkt een breder frame waarin gebruikers onwetend, naïef en medeplichtig zijn. Voor cannabis is dit bijzonder problematisch. Het gebrek aan kennis over samenstelling, sterkte en vervuiling is geen cultureel probleem, maar een rechtstreeks gevolg van verbod. In een gereguleerd cannabismodel zijn THC- en CBD-gehaltes bekend, contaminanten gecontroleerd en informatie beschikbaar. Het onwetende gebruik dat hier wordt aangeklaagd, is precies wat regulering wil vermijden.

“Wie gebruikt, heeft een grote verantwoordelijkheid.”

Dat is waar, maar het is een halve waarheid. Gebruikers dragen verantwoordelijkheid, maar beleidsmakers dragen die minstens evenzeer. Wanneer de staat bewust kiest voor een verbodsmodel waarvan al vijftig jaar bekend is dat het faalt, verschuift verantwoordelijkheid structureel naar individuen. Dat is comfortabel, maar intellectueel lui. Het doet immers alsof collectieve keuzes geen rol spelen.

“De banalisering moet weg. De romantisering ook.”

Romantisering verdient kritiek. Maar banalisering is vaak een ander woord voor normalisering. En normalisering is precies wat regulering mogelijk maakt. Sigaretten zijn vandaag genormaliseerd én ontmoedigd tegelijk. Door waarschuwingen, accijnzen, reclameverboden en rookvrije ruimtes. Niet door morele paniek, maar door beleid. Drugs blijven gevangen in een discours van uitzondering en sensatie, waardoor rationele schadebeperking onmogelijk wordt.

“Mensen denken dat de drugsoorlog ver van hun bed is. Dat is niet zo. Het gebeurt naast je bed.”

Dat klopt. Drugscriminaliteit is geen exotisch probleem. Maar wat hier subtiel gebeurt, is belangrijker dan wat gezegd wordt. De drugsoorlog wordt voorgesteld als een natuurfenomeen dat ons overkomt. Niet als een gevolg van beleid. Dat het letterlijk “naast ons bed” gebeurt, heeft alles te maken met het feit dat we productie, distributie en controle volledig overlaten aan de zwarte markt. Die markt kiest vanzelfsprekend woonwijken, havens en bossen. Niet omdat drugs dat vragen, maar omdat illegaliteit dat doet. In landen met legale cannabisketens verdwijnen growhouses uit rijhuizen en garages. Niet door meer politie, maar door beleid dat productie verplaatst naar gecontroleerde omgevingen.

“De kartels zijn almachtig.”

Deze vaststelling keert meerdere keren terug. Ze wordt gepresenteerd als bewijs van de ernst van het probleem. Maar ze roept ook een andere vraag op. Kartels zijn alleen almachtig binnen markten waar de winstmarges extreem hoog zijn en waar concurrentie niet via legale middelen kan verlopen. Dat was zo bij alcohol honderd jaar geleden en dat is vandaag zo bij drugs. Almacht is hier geen mysterie, maar een economische logica.

“Alle drugs worden op één hoop gegooid.”

Hoewel deze zin niet letterlijk valt, is ze de impliciete motor van de reeks. Cannabis, cocaïne, xtc en flakka verschijnen als varianten van hetzelfde probleem. Het verhindert elk rationeel gesprek over risico’s, gebruikersgroepen en maatschappelijke impact. Het maakt van “drugs” een morele categorie in plaats van een beleidsdomein.

““Als er minder vraag zou zijn, zou er ook minder aanvoer zijn.”

Dit argument klinkt logisch en wordt vaak herhaald. Het negeert echter een historische constante. De vraag naar psychoactieve middelen is cultureel en maatschappelijk stabiel. Ze verschuift in vorm, maar verdwijnt niet. Beleid dat uitsluitend inzet op vraagreductie zonder het aanbodkader te wijzigen, heeft in het verleden zelden duurzame resultaten opgeleverd. Dat geldt voor alcohol, tabak en drugs. Wat wel effect heeft, is sturing van beschikbaarheid, prijs, samenstelling en context van gebruik.

“Drugsgebruik is misdadig, en moet als dusdanig worden aangepakt.”

Vanuit een reguleringsstandpunt is dit een cruciale breuklijn. Cannabisgebruik is in landen als Duitsland, Malta en Luxemburg gedecriminaliseerd, niet omdat het onschadelijk is, maar omdat criminalisering meer schade veroorzaakt dan het gebruik zelf. Het gelijkstellen van gebruik aan misdaad negeert die evolutie en zet de klok terug. Het miskent ook dat miljoenen burgers cannabis gebruiken zonder geweld, zonder ontwrichting en zonder contact met zware criminaliteit, behalve dat ene contact dat het beleid hen oplegt: de illegale markt.

“Legaliseren is helemaal geen oplossing.”

Deze uitspraak wordt gebracht als sluitstuk, niet als startpunt van debat. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen cocaïne en cannabis. Nochtans bestaat er intussen een brede internationale consensus dat cannabis zich fundamenteel anders leent tot regulering. Dat bewijzen modellen in Canada, Uruguay, Duitsland en delen van de VS. Ze tonen minder zwarte markt, meer controle en betere volksgezondheidsuitkomsten. Door cannabis in hetzelfde frame te plaatsen als cocaïne, wordt die empirische realiteit genegeerd.

“De politie is gedoemd om achter de feiten aan te hollen.”

Dit is een van de meest consistente observaties in de interviews. Politie en justitie lopen structureel achter. Er wordt meermaals gepleit voor extra middelen. Wat minder aandacht krijgt, is de vraag waarom dat achterop lopen structureel is. Het antwoord ligt niet alleen bij budgetten, maar bij het feit dat repressieve diensten een markt proberen te beheersen die ontworpen is om zich aan controle te onttrekken. Dat is geen operationeel probleem, maar een systeemprobleem.

“We zitten op vijf voor twaalf. Twaalf betekent de narcostaat.”

Als dat zo is, dan is de vraag niet waarom we harder moeten vechten, maar waarom we blijven doen wat ons precies tot dit punt heeft gebracht. Meer politie, meer parket, meer opsporing, telkens opnieuw, terwijl de markt groeit, de prijzen dalen en de beschikbaarheid stijgt. Dat is geen falende uitvoering. Dat is een falend model.

“Dealers hebben niets liever dan rust.”

Deze zin vat onbedoeld het probleem samen. Rust ontstaat wanneer markten zich stabiliseren. Bij cannabis gebeurt die stabilisatie vandaag in de illegaliteit. Regulering haalt precies dat verdienmodel weg. Niet door morele veroordeling, maar door economische logica. Een gereguleerde cannabismarkt heeft geen belang bij geweld, territoriumstrijd of intimidatie. De illegale markt wel.

Vanuit het standpunt van cannabisregulering is de kernkritiek op Dealen met coke niet dat het problemen toont, maar dat het oplossingen vernauwt. Door cannabis systematisch mee te trekken in het cocaïneverhaal, wordt het debat over regulering geframed als naïef, gevaarlijk of moreel verdacht. Dat is schadelijk, niet alleen voor cannabispolitiek, maar voor elk beleid dat gebaseerd wil zijn op differentiatie, proportionaliteit en evidence.

Objectief bekeken is het probleem niet dat drugs bestaan, maar dat we weigeren onderscheid te maken. Zolang cannabis, cocaïne en synthetische drugs onder één noemer blijven vallen, blijft “drugs” een leeg begrip dat vooral angst oproept. En zolang dat zo is, blijft regulering onbespreekbaar, niet omdat ze faalt, maar omdat ze nooit eerlijk wordt bekeken.


Posted On januari 10, 2026

Posted By Daan

Posted In Blog

Share


Prev

Van Pijnpatiënt naar Activist: Het Verhaal van Bart De Blaes

Scroll to the top
Archieven
  • januari 2026
  • december 2025
  • oktober 2025
  • september 2025
  • augustus 2025
  • juli 2025
  • juni 2025
  • april 2025
  • februari 2025
  • december 2024
  • mei 2024
  • maart 2024
  • februari 2024
  • januari 2024
  • december 2023
  • september 2023
  • augustus 2023
  • mei 2023
  • maart 2023
  • januari 2023
  • november 2022
  • oktober 2022
  • september 2022
  • augustus 2022
  • juli 2022
  • juni 2022
  • mei 2022
  • april 2022
  • maart 2022
  • februari 2022
  • januari 2022
  • december 2021
  • november 2021
  • oktober 2021
  • september 2021
  • augustus 2021
  • juli 2021
  • juni 2021
  • mei 2021
Categorieën
  • Artikels
  • Blog
  • Podcast
  • Uncategorized
Meta
  • Login
  • Berichten feed
  • Reacties feed
  • WordPress.org