De wetenschap van Verlinden: volgen wanneer het past
Minister Annelies Verlinden heeft een voorstel klaar om de abortustermijn te verlengen van twaalf naar veertien weken. Op zich is dat niet het opvallendste aan het debat. Wat vooral opvalt, is hoe openlijk wordt toegegeven dat de wetenschap slechts één van de stemmen aan tafel is, en niet noodzakelijk de stem die uiteindelijk wordt gevolgd.
Een wetenschappelijk expertencomité adviseerde een verlenging tot minstens achttien weken. De politiek kiest voor veertien. Dat mag. Politici zijn verkozen om keuzes te maken, niet om blindelings elk wetenschappelijk advies over te nemen. Maar dan moeten we wel eerlijk zijn over wat er gebeurt. Men kiest bewust voor een politiek en ideologisch compromis dat afwijkt van wat experts aanbevelen.
Nog opvallender wordt het wanneer dezelfde minister vervolgens een uitzondering voorziet voor slachtoffers van verkrachting. Dan wordt plots wél verwezen naar wetenschappelijk onderzoek. Dan wordt gesteld dat het trauma ervoor zorgt dat vrouwen meer tijd nodig hebben om een beslissing te nemen. En daarom wordt voor die groep een termijn van achttien weken voorzien.
Met andere woorden: wanneer de wetenschap een argument levert dat binnen het politieke compromis past, wordt ze gevolgd. Wanneer dezelfde wetenschap tot een ruimere algemene aanbeveling komt, wordt ze terzijde geschoven.
Dat dubbele gebruik van wetenschap zien we niet alleen in het abortusdebat. Het is misschien nog veel uitgesprokener aanwezig in het cannabisbeleid.
Ook daar bestaat ondertussen een enorme hoeveelheid wetenschappelijk onderzoek. Onderzoekers wijzen al jaren op de beperkingen van een repressieve aanpak. Ze tonen aan dat criminalisering weinig effect heeft op gebruikscijfers. Ze tonen aan dat gereguleerde markten de kwaliteit kunnen controleren, jongeren beter kunnen beschermen en de inkomsten uit de handen van de georganiseerde misdaad kunnen halen.
Wetenschappelijke organisaties, volksgezondheidsexperts, criminologen en internationale instellingen hebben de voorbije jaren steeds opnieuw gewezen op de tekortkomingen van de huidige aanpak. Landen zoals Canada, delen van de Verenigde Staten, Duitsland en Luxemburg experimenteren niet zomaar met alternatieven. Ze doen dat op basis van onderzoek, data en evaluaties.
Toch lijkt de stem van de wetenschap in het cannabisdebat steeds zachter te klinken.
Wanneer een studie waarschuwt voor risico’s van cannabis, wordt die gretig aangehaald door politici die strengere maatregelen willen. Wanneer wetenschappers vaststellen dat criminalisering zelf schade veroorzaakt, dat een strafblad levens kan ontwrichten of dat regulering betere resultaten oplevert, verdwijnt diezelfde wetenschap vaak naar de achtergrond.
De logica lijkt soms eenvoudig: wetenschap is welkom zolang ze bestaande overtuigingen ondersteunt. Zodra ze bestaande beleidskeuzes in vraag stelt, wordt ze plots slechts één mening onder vele.
Dat is nochtans een gevaarlijke evolutie. Want als wetenschap alleen nog gezag heeft wanneer ze politiek bruikbaar is, dan verliest ze precies haar belangrijkste functie. Wetenschap is niet bedoeld om onze overtuigingen te bevestigen. Ze is bedoeld om ze te testen.
In het abortusdebat wordt tenminste openlijk gezegd dat men afwijkt van het wetenschappelijk advies om politieke en ethische redenen. Dat is eerlijk. In het cannabisdebat gebeurt vaak het omgekeerde. Men beroept zich op wetenschap wanneer die streng beleid ondersteunt, maar negeert haar wanneer dezelfde wetenschappelijke methode tot andere conclusies leidt.
Misschien is het tijd om daar eerlijker over te worden. Politici mogen keuzes maken die afwijken van wetenschappelijke aanbevelingen. Dat is hun recht. Maar laat ons dan stoppen met te doen alsof wetenschap het fundament van het beleid vormt wanneer we haar alleen raadplegen op de momenten dat ze ons gelijk geeft.
